Praktische uitleg over accommodatie eisen in de kinderopvang
Praktische uitleg over accommodatie eisen in de kinderopvang
Inleiding
Een goed ingerichte ruimte is essentieel voor verantwoorde kinderopvang. Niet alleen vanwege het comfort en de ontwikkeling van kinderen, de ruimte wordt immers niet voor niks als 3e pedagoog genoemd. Maar ook vanwege de eisen die de wet kinderopvang stelt. Toch roept de regelgeving over vloeroppervlak en ruimtegebruik nog vaak vragen op. Hoeveel vierkante meter heb je nodig? Wat mag je wel of niet meetellen?
Helder en van Pas helpt je om wetgeving begrijpelijk en toepasbaar te maken.
Wat zegt de wet kinderopvang over binnenruimte?
Volgens het Besluit kwaliteit kinderopvang moet een kindercentrum beschikken over minimaal 3,5 m² binnenspeelruimte per aanwezig kind. Die ruimte hoeft niet volledig in de stamgroep of basisgroep te liggen. In de dagopvang, worden passend voor spelactiviteiten ingerichte binnenruimtes buiten de stamgroepsruimte naar evenredigheid aan de groepen van het kindcentrum toebedeeld.
Je mag dus ook andere ruimtes meetellen, mits ze:
• veilig zijn,
• altijd toegankelijk zijn tijdens de opvangtijd,
• en passend zijn ingericht voor de leeftijd van de kinderen die er verblijven
Dit geldt zowel voor dagopvang als buitenschoolse opvang. Het verschil? Bij dagopvang is een vaste stamgroepruimte verplicht. Bij BSO is dat niet nodig – daar hoeft een basisgroep geen eigen basisgroepruimte te hebben, en kan er dus flexibeler met ruimte worden omgegaan.
Hoe bereken je het juiste vloeroppervlak?
De wet spreekt van beschikbare binnenspeelruimte. Het gaat in beginsel dus om het totale aantal vierkante meters dat (bruto) beschikbaar is. Kortom: de lengte vermenigvuldigd met de breedte van een ruimte. Bij de bepaling van de oppervlakte van de speelruimte worden de in de ruimte aanwezige kasten, stoelen, tafels en verwarmingen in principe niet afgetrokken van de oppervlakte.
Maar: niet alle meters tellen automatisch mee. Denk aan schuine wanden of delen met een te laag plafond, of een ruimte met halfhoge wanden. En: een ruimte kan alleen meetellen als hij veilig, toegankelijk en passend ingericht is.
Vraag je bij twijfel het volgende af:
• Wordt de ruimte gebruikt voor spel of verblijf?
• Is de ruimte altijd beschikbaar tijdens de openingstijden van de opvang?
• Past de inrichting bij de leeftijd van de kinderen die er komen?
Buitenruimte in de kinderopvang: drie regels, drie leeftijden
De regels voor buitenruimte zijn helder:
1. Per in het kindcentrum aanwezig kind moet er 3 m2 buitenspeelruimte beschikbaar zijn.
2. Ook deze buitenruimte moet veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd kinderen die aanwezig zijn.
3. De ligging van de buitenspeelruimte:
a. Kinderen tot 2 jaar: buitenspeelruimte moet direct aan het kindcentrum grenzen.
b. 2 tot 4 jaar: bij voorkeur aangrenzend aan het kindcentrum, maar in ieder geval aan het gebouw waarin het kindcentrum is gehuisvest.
c. Vanaf 4 jaar (BSO): bij voorkeur aangrenzend aan het kindcentrum, maar mag ook in de directe nabijheid van het kindcentrum zijn, als het toegankelijk en veilig bereikbaar is.
Ook hier geldt: buitenruimte moet altijd beschikbaar zijn voor het aantal kinderen dat op dat moment aanwezig is. Je mag de ruimte dus niet dubbel tellen tussen dagopvang en BSO als ze gelijktijdig open zijn, maar de ruimte niet gelijktijdig gebruiken.
Wanneer tel je iets mee en wanneer niet?
Een veel gestelde vraag: welke vierkante meter mag ik tellen, oftewel wat is bruto versus netto. Mag je de meters van een keukenblok, of een kast meetellen? Het korte antwoord: alleen als die ruimte toegankelijk is voor kinderen. Alles wat vast staat zoals een keukenblok, kun je de meters niet meetellen, wanneer er verplaatsbaar meubilair staat wel.
Slaapruimte: wat moet wel en wat hoeft niet?
Voor kinderen tot 1,5 jaar is een afzonderlijke slaapruimte verplicht. Hoeveel bedjes? Dat moet afgestemd zijn op het aantal aanwezige kinderen in het kindcentrum. Bedjes mogen door meerdere kinderen gebruikt worden, mits de risico’s die dat met zich meebrengt maar opgenomen zijn in het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de rust en stabiliteit voor kinderen gewaarborgd blijft.
Waarom het gesprek belangrijker is dan het meetlint
Niet alles is zwart-wit. De wetgeving laat ruimte voor interpretatie. Daarom is het belangrijk dat keuzes uit te leggen zijn – met onderbouwing vanuit wetgeving, beleid én praktijk.
De Wet Kinderopvang versus Besluit Bouwwerken Leefomgeving. In de praktijk sluiten deze twee wetten niet altijd goed op elkaar aan. Hierdoor zullen er in de praktijk situaties ontstaan die om maatwerk vragen. Het gesprek in de driehoek houder – toezichthouder – gemeente zullen in die situatie moeten leiden tot een maatwerkoplossing of uitgangspunt voor de betreffende situatie.
Toezicht en handhaving draaien dan ook om meer dan meten alleen. Het gaat om het verhaal achter het wettelijk kader (de geest van de wet) de inrichting op locatie, keuzes en visie van de houder op (pedagogische) kwaliteit.
Grip krijgen op kinderopvang regelgeving? Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn.
Bij Helder en van Pas maken we kinderopvang wetgeving begrijpelijk. Zodat jij weet:
• hoe je verantwoord met ruimtes om kunt gaan,
• wat je wél en niet mee mag tellen,
• en hoe je dit meeneemt in inspectie of rapportage.
• Weet je hoe je de accommodatie moet beoordelen op basis van wetgeving
Zo voorkom je discussie achteraf – en maak je keuzes waar je écht achter staat.
Zorg voor duidelijkheid in plaats van twijfel
Accommodatie lijkt vanzelfsprekend. Tot er vragen over zijn. Dan wil je zeker weten dat je goed zit. Dat keuzes kloppen – met de wet én met wat kinderen nodig hebben.

